Renteconstructies
In de praktijk komt u soms renteconstructies tegen die
zijn afgeleid van de variabele rente en de vaste rente. Hieronder worden de
belangrijkste renteconstructies kort besproken.
- Bandbreedte: bij een
rente met bandbreedte is de rente vast binnen de bandbreedte. Buiten de
bandbreedte is deze variabel. Stel u heeft een rente van 6% met een
bandbreedte van 2%. Als de rente stijgt boven de 8% gaat u meer rente
betalen. Bij een rente van 8,5% gaat u dan 6,5% betalen. Als de rente daalt
onder de 4% gaat u minder betalen. Bij een rente van 3,5% gaat u 5,5%
betalen.
- CAP-rente: een
variabele rente met een plafond, een maximum. Bijvoorbeeld een variabele
rente van 6% met een plafond van 7,5%. Stijgt de rente op de geldmarkt, dan
stijgt uw rente mee, maar tot maximaal 7,5%.
- Instaprente/rentebedenktijd:
u heeft de tijd zich te oriënteren voordat u de hypotheekrente vastzet. Dat
kan bijvoorbeeld zijn in het begin, bij het afsluiten van de hypotheek. U
heeft dan het eerste jaar de mogelijkheid om op ieder willekeurig moment de
rente voor langere periode vast te zetten. Deze constructie komt men ook wel
tegen in de laatste twee jaar, bijvoorbeeld 10 jaar met een bedenktijd
gedurende de laatste twee jaar. De laatste twee jaar kunt u dan op ieder
willekeurig moment de rente weer voor een langere periode vastzetten.
- Rentemiddeling: de
nieuwe rente wordt gemiddeld met de oude rente. U betaalt als het ware een
opslag boven de nieuwe lagere rente. Dit heeft als voordeel dat u geen boete
hoeft te betalen. De boete zit als het ware verrekend in het nieuwe
rentetarief. Een voorbeeld: u heeft de rente ooit 10 jaar vastgezet voor 8%
met nog 4 jaar te gaan. De huidige rente is 6%. De middelrente voor de
komende 10 jaar wordt dan 6,8% (=4*8% + 6*6%).